Het rendier komt voor in het noorden van Noord-Amerika, Europa en Azië in toendragebieden en subarctische bossen. Om warm te blijven in dit koude habitat heeft de rendier een vacht die bestaat uit een dikke, wollige onderlaag en een bovenlaag van stijve buisvormige haren waar isolerende lucht tussen gevangen wordt.

Wat eet hij het liefst?

Rendieren zijn voornamelijk herbivoren. Hun dieet varieert het meest tijdens de zomer, wanneer zij niet alleen korstmos eten zoals in de winter, maar ook wilgen- en berkenbladeren, paddenstoelen, wollegras, cypergrassen en vele andere gewassen die zich op de grond bevinden.

Gewei

Het rendier is de enige hertensoort waarvan zowel het mannetje als het vrouwtje een gewei draagt. Niet alleen gebruiken rendieren het gewei om te vechten, ze lopen er ook mee te pronken. Elk jaar valt het gewei af en groeit een nieuwe aan. Volkeren op de toendra maken gebruiksvoorwerpen zoals tentharingen, stoelen en speelgoed van de geweien. 

Goede neus

Rendieren hebben een sterk reukvermogen. Zelfs onder een dikke laag sneeuw pikken ze de geur van een stukje korstmos op. Met de hoeven van hun voorpoten graven ze een gat in de sneeuw en nemen een hap.