De Afrikaanse longvis leeft in rivier- en moerasgebieden in Afrika. Hij kan goed overleven in droge gebieden en ook in stilstaand water met weinig zuurstof. Longvissen hebben uitstulpingen van de darm die werken als een paar ‘longen’. Ze kunnen daarom boven water zuurstof opnemen door lucht te happen.

Wat eet hij graag?

De Afrikaanse longvis voedt zich met zoetwaterslakken, insecten en insectenlarven, maar ook met amfibieën en vissen. 

Levend fossiel

Longvissen behoren tot een groep ‘primitieve’ vissen. De oudste fossielen van longvissen zijn wel 350 miljoen jaar oud. Er leefden toen nog veel verschillende soorten longvissen. Tegenwoordig zijn er zes soorten longvissen over: één in Australië, één in Zuid-Amerika en vier in Afrika. Ze zijn in miljoenen jaren maar weinig veranderd, dus worden ze wel levende fossielen genoemd. 

Zomerslaap

Afrikaanse longvissen kunnen droge periodes overleven door een zomerslaap. Ze graven zich in de modder en scheiden slijm af dat verhardt tot een cocon. Van binnen blijft de cocon vochtig. Tijdens de droogteslaap verlopen alle lichaamsfuncties zo traag, dat er weinig energie verloren gaat. Zo kunnen longvissen maandenlang overleven. Als het regenseizoen begint, verlaat de longvis zijn cocon. 

Zorgzame vader

De Afrikaanse longvis plant zich voort aan het begin van het regenseizoen. Hij graaft dan een diep gat in de modder waarin de eieren worden gelegd. De vader beschermt de eieren en jongen twee maanden lang. Door kronkelbewegingen van zijn lichaam stroomt er vers water door het nest om de jongen van zuurstof te voorzien.