Het Groote Museum is het vroegste en meest imposante ARTIS-gebouw. Tevens staat het op het oudste ARTIS-terrein: het buiten Middenhof. Krap een halve hectare groot werd dit in 1838 door de oprichters Westerman, Werlemann en Wijsmuller (“de drie W’s”) aangekocht.

ARTIS-Groote Museum

Op dit moment wordt het gebouw van het Groote Museum gerestaureerd en vernieuwd . Na de restauratie zullen de zalen op de benedenverdieping hun functie als plaats van samenkomst opnieuw vervullen. Op de bovenverdieping zijn de museumruimtes nog wonderbaarlijk intact gebleven. Zelfs de originele verf is nog aanwezig op de 19de-eeuwse vitrinekasten. De monumentale museumzalen worden hersteld en gaan onderdak bieden aan een museum over de relatie tussen mens en natuur.

Historie

De oprichters van ARTIS zorgden, samen met een groep gepassioneerde leden van het Genootschap, dat tussen 1852 en 1855 het gebouw van het Groote Museum tot stand kwam. Na de oprichting in 1838 ambieerde het Genootschap Natura Artis Magistra naast het dierenpark een museum, waar men de opgezette dieren, skeletten, insecten, fossielen, gesteenten en etnografica kon tonen. Het Groote Museum, ontworpen door J. van Maurik, was een ontmoetingsplek voor de leden van het Koninklijk Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra en het eerste museumgebouw met een tentoonstellingsfunctie in Nederland in de 19de eeuw. Hierdoor had het een grote sociale en culturele rol in het Amsterdam van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw. In 1947 moest het Groote Museum wegens financiële nood de deuren sluiten voor het publiek.

Hoge, lichte bovenzalen

In de hoge en lichte bovenzalen stonden honderden opgezette dieren, merendeels voormalige ARTIS-bewoners. Langs de hoge gaanderijen waren de vogels en vleermuizen in glazen kasten op soort geordend, beneden lagen talloze schelpen en koralen in platte vitrines, langs de wanden stonden de zoogdieren achter glas. Amfibieën en vissen waren op sterk water te zien. In de enorme middenhal stonden giganten als olifant, giraffe en gewei- of hoorndragende hoefdieren op formaat gerangschikt, terwijl de reuzen-skeletten van walvissen en dolfijnen sierlijk aan de  plafonds  waren opgehangen. En dan was het Groote Museum aanvankelijk ook nog de bewaarplaats van fossielen, ertsen en schelpen.

Feestelijke benedenzalen

De benedenzalen dienden als sociëteit voor de leden, en boven de zaal aan de oostzijde woonde de gérant die de consumpties verzorgde. Maar al binnen vijftien jaar bleken deze societëitszalen niet voldoende ruimte te bieden voor de vele vergaderingen, tentoonstellingen en feestelijkheden van het sterk groeiende ledenbestand, en ontwierp huisarchitect G.B. Salm de Nieuwe Ledenlokalen aan de Kerklaan.

Uiteenlopende verzamelingen

Ook de Museumzalen vergden al spoedig flinke uitbreiding. Rond 1900 bezat ARTIS maar liefst tien museumruimtes, verspreid over de hele tuin. De uiteenlopende verzamelingen kwamen gaandeweg in bezit van andere musea in de stad, terwijl de natuurhistorische collectie in 1939 eigendom werd van de Universiteit van Amsterdam. In 1947 moest tenslotte ook het Groote Museum sluiten voor het publiek, en werd de verzameling van tienduizenden dieren, dierenhuiden, balgen en botten in etappes overgebracht naar de universiteitsgebouwen aan de Mauritskade.

Voorganger van de Flamingoserre

Toen de Gemeente in 1939 het middendeel van de Ledenkokalen aan de Kerklaan opeiste voor haar Bevolkingsregister, werd ter compensatie onder andere een restaurant-paviljoen aan de toenmalige Koningszaal toegevoegd, voorganger van de latere (1989) Flamingoserre. Toen vond ook een grondige verbouwing van de benedenverdieping plaats.  

Verdonck

Bij de ingang aan de straatzijde lagen oorspronkelijk twee stenen leeuwen gebeeldhouwd door JJF Verdonck, een schoonzoon van oprichter Westerman. Diezelfde Verdonck was tevens verantwoordelijk voor de vier in hout uitgevoerde Jaargetijden aan het monumentale trappenhuis, dat vanuit de tuinzijde van de hal naar het Groote Museum leidt. Verdoncks stenen beelden aan de Middenlaan raakten echter in verval en zijn in 1938 vervangen door de Leeuw en de Tijger met Prooi, ‘om niet’ uit Franse kalksteen gehouwen door de ARTIS-kunstenaar Jaap Kaas. Ze waren een geschenk van het personeel, ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de Amsterdamse dierentuin.

Meer weten? Lees meer over de restauratie .