De grijpstaartstekelvarken leeft in de tropische bossen, de savanne en landbouwgronden in het noorden van Zuid-Amerika.

Wit-zwarte stekels met grijpstaart

Het grijpstaartstekelvarken dankt haar naam aan de stekels die als haren vastzitten aan het lichaam en aan de lange grijpstaart. De huid maakt een gele was aan die de stekels mooi en sterk houdt. Naast dat de stekels bescherming bieden aan het dier, worden de stekels ook gebruikt om te communiceren. Zo zullen de stekels naar beneden staan als het dier relaxt is. Omhoog gestoken of gekruiste stekels geven aan dat het dier
opgewonden is, zich bedreigd voelt of zelf dreigt. Het dier draait daarbij de kop naar voren en het lichaam naar de zijkant.

‘Vijfde hand’

De grijpstaart is bijzonder lang en functioneert als een soortvijfde hand die om bomen en takken kan “grijpen”. Hier zitten dus ook geen stekels. Ook de voorste klauwen, met 4 vingers en geen duim, zijn uitstekend voor het klimmen in bomen. Het grijpstaartstekelvarken leeft voornamelijk tussen boomtakken. Bijna alleen voor paren, jongen ter wereld brengen en poepen komt het naar de grond.

Dikke neus en gekke geluiden

Het grijpstaartstekelvarken heeft een karakteristieke grote neus met snorharen. Het maakt veel verschillende geluiden in de communicatie anderen. Zo communiceren ze over grote afstanden met lang gekreun en gillen ze bij korte interacties. Met gegrom en geklik dreigen ze en met piep- en sisgeluiden reageren ze op een bedreiging. Voor de dierverzorger zijn sommige geluiden makkelijk te herkennen. Zo krijst het dier als een baby als het honger heeft en smakt er op los met het eten in de hand. Bij schrik geeft het grijpstaartstekelvarken hele hoge gil.